Picture of book containing biographies of art painters published in 1729


Below are pages 104 to 108 from the above pictured book. These pages pertain to Jacob van Laer, alias Bamboots.
The book is written in Dutch and the pages have not yet been translated into English.


PIETER van LAAR, alias BAMBOOTS


    Is geboren te Laren buyten Naarden, ontrent het jaar duyzent ses hondert en dertien, zynde zyne Ouders fatsoenlyke Borgerluyden, die hem een taamelyke Opvoeding gaaven na hun vermoogen. Wie dat zyn Leermeester was om hem te onderwyzen in de beginsels van de Schilderkonst, weet ons niemant te zeggen, veelligt uyt zich zelven, zeggen wy, en zynde hy een Man zo vast van Denk






 Denkbeelden, dat hy iemant maar eens gezien hebbende, die altoos op zyn tyd wist te gebruyken op zyne Tafereelen. Ook getuygen die Italiaanen, die gemeenzaamlyk met hem verkeerden te Romen en elders, dat hy een grooter tal Schetsen heeft gemaakt uyt zyn eygen Vinding, dan na het Leeven, ja dat hy, de meenigvuldige schilderachtigen veranderingen, die zich op den Ochtend- Middag- en Avondstond, vertoonen op de Velden, Bergen, Boomen, en in de Valeyn, zo natuurlyk op 't panneel brogt, als of hy die allen had gemodelt na die voornoemde voorwerpen. Hy schilderde Landschappen, Jachten, Koninglyke Gebouwen, Boerenhutten, Schuuren, Herbergen, Pleysterplaatsen, Ruynen, en Gevangenhuyzen en Kamers, gestoffeert met geest- en konstryke beeldjes, wonderlyk toegetakelt, en aardiglyk getê- kent en gehandelt.         Hy trok na Italien langs Vrankryk, en schilderde sestien jaaren met een groote lof te Romen, neemende dagelyks meer en meer toe in naarstigheyt en in een goede naam. Joachim de Sandrart, die een Boezemvriend is geweest van dien konstryken Pieter van Laar, getuygt van zyn leevensgedrag in zeer voordeelige termen. Hy zegt, dat hy hem zo binnen Romen als in Holland heeft gekent voor een deugdzaam Man, en vriendelyk van inborst, en die zich zeer behaaglyk wist te maaken in allerhande Gezelschappen, alhoewel hy die spaarzamelyk bywoonde. Gezêten voor den Schilderesel was hy zeer stil en opgetoogen in gedachten, en daarom had hy de gewoonte van veelstyds zyne afgesloofde geesten te vervrolyken en te verkwikken door het speelen van eenige Airtjes op de Viool, een Muziekinstrument dat hy niet kwaalyk behandelde. De Romeynen noemden hem Bamboots, om zyn vreemde Licghaams gestalte, dewyl hem niemant kon aan


aanzien zonder te lacghen, zijnde het onderlijf zo lang als dat van een Reus, en het bovenste deel kort als een Dwerg, ook had hy genoegzaam geen hals, waar door het hoofd scheen te rusten op de Schouders. Hy was een kluchtig humeur, en die somtijds vroolijke doch nooit kwaadaardige potsen uytrechte, waar van wy er een stuk a twee zullen verhaalen.         Het gebeurde eens dat er een nieuwen Bendvogel zou worden aangenomen, welke plegtigheyt altoos wort aangevangen en uytgevoert, met de kreuken uyt de Maag te spoelen door lekkere Wynen, op welk Doopmaal den Konstschilder Bamboots ook kompareerde. Aldaar kreeg hy een vreemde gril in 't hoofd; hy bond zich een schortekleed onder de kin, en ging in een hoek zitten ter zijden de deur, alwaar hy zulke kluchtige Aapengrimatsen maakte, dat de meeste Voorbygangers stil bleeven staan, niet beter weetende of het was een groote Baviaan, die aldaar was geplaatst om de Romeynen te vervrolijken.         Op een andere tijd reeden Joachim de Sandrart, Poussin, Glaude Lorain, en Pieter van Laar, na Tivoli te paerd, om eenige schilderachtige Gezichten ontrent die plaats te têkenen, en om hunne vermoeide leevensgeesten wat te vervrolijken. Ondertusschen kwam er een wakkere regenvlaag aanzetten, waar op Bamboots te paerd klom, het hoofd op de knop van de zadel ley, en zich met den mantel bedekte, reydende dus eensklaps zonder zijn byhebbent Gezelschap te waarschouwen na Romen. De andere Schilders, die dien snaak niet hadden zien wegrijden, wierden ongerust, dewijl zich om die streek somtijds Bandieten ophouden, die de beste broeders niet zijn, en veelstijds een aalmoes vorderen met het Stilet in de vuyst, en ook wel op de minste weygering de ongewapende Reyzigers overhoop blaazen, en moeder


dernaakt uytkleeden. Zy keerden dan te rug na Romen, en aan de poort komende, vroegen zy aan de Wachts; Of er niet een zeker persoon die zy beschreeven, was gepasseert? waar op die tot andwoort gaaven; dat zy geen leevent Mensch hadden gezien, maar wel dat er een Paerd van de kant van Tivoli was komen galoppeeren, waar op een Mantel ley uytgespreyt, en van weerskanten Laerzen hingen. Toen zy by den Bamboots kwamen, vertelden zy hem hoe dat de Poortwachters hem hadden aanzien voor een Valies, waar hy en zy hartiglijk om moesten lacghen.         Ondertusschen begonden zijne Ouders en Vrienden te verlangen om hem te zien wederkeeren na de Nederlanden, en schreeven onophoudelijk, dat het hem zou gelieven van over te komen na het Vaderlandt, om dat te verrijken met zijn heerlijke Konst, dewelke aldaar zo wel zou worden geloont als te Romen, dewijl er veele Konstliefhebbers na zijne Tafereelen rekhalsden en watertanden. Zy herhaalden zo dikmaals hunne Sollicitatien, dat Meester Pieter van Laar een besluyt nam van Italien de zak te geeven, en neerwaards te glijden naar Nederlant, gelijk als hy ook op het jaar duyzent ses hondert negen en dertig tot Haarlem belande, en by zijn Broeder, die aldaar in de kwaliteyt van Schoolmeester het rijksgebied van de plak en roede oefende, ging inwoonen, alwaar hy veele schoone Konststukken schilderde, dewelke wel gewilt en rijkelijk betaalt wierden. Zyne stukken wakkerden hand over hand in prijs, waar door zy in Italien opgezocht en naar Holland wierden overgezonden, en aldaar ook met profijt verkogt zijn geworden.         Veel meer valt er niet te zeggen over den konstrijken Pieter van Laar, dan dat hy op zijn sestigste jaar onophoudelijk wiert geplaagt door een benaauwde borst, die hem den moed gants en gaar uyt bluste. Daar by verviel zijn


zijn geheugenis zo sterk, dat hy naauwlijk meer wist waar hy was, of wat hy sprak, zo dat hy het leevensspel moest opgeeven, en zijne konstpenseelen, tot een bewijs van hulde en manschap, aan de al verwoestende Dood overgeeven.         Wy zullen den Leezer noch een Vertellingje van Bamboots laatste lot mededeelen, alhoewel ons dat Sprookje zo waarschijnlijk voorkomt, als of het door den Vader der leugens gesmeed, door Sinjoor Pinto geschreeven, en gedrukt was by het gebrankrotieert Boekverkoopertje, Pietje de Guyt van der Veer, zynde dat Beuzelsprookje gedroomt by Florent le Comte, Schilder en Beeldhouwer, en na eens anders vertaaling vertaalt door Arnold Houbraken, Plaatsnyder en Schryver.         Pieter van de Laar, of Delarets, schryft die Franschman, zette zich ter neer tot Haarlem, in welke stad hy vry losjes leefde; doch in een Sloot gevallen zynde, veelligt dat hy te veel vocht gepooit hebbende, hy een tweede wilde proeven, en geen belul genoeg hebbende om zich te wachten, en alles willende uytdrinken, stikte hy op zyn sestigste jaar. Een lang leeven voor een Man van dien inborst, doch wiens eynde ons echter aantoont, gelyk als zeker Schryver wel aanmerkt, dat het kwaade vroeg of spade wort beloont, want die Bamboots, en noch vier andere knaapen van dat beslag, hadden een geestelyk Heer, (een Priester) in den Tyber gegooit, en verdronken, dewyl hy hun had bestraft over het niet onderhouden van den Vasten. Monsieur le Comte voegt er noch by tot een toemaatje, dat de vier overige Medepligtigen ook in het water versmoorden door onderscheyde toevallen; en Arnold Houbraken vertelt en kopieert dat Sprookje als en bekende Waarheyt, op die fransche Attestatie. Waar wil dat heenen? NI